Op het platteland van de Antwerpse Kempen zitten de archeologische sporen niet diep : het is al uitkijken vanaf een halve meter. Die bovenlaag, gedurende eeuwen omgeploegd en dooreen gemengeld, wordt afgegraven met de graafmachine.
Op ca. 50 cm diepte wordt de bodem met de troffel glad geschaafd. Zo worden verkleuringen in de bodem zichtbaar. Het komt erop aan die nauwgezet op te meten en in te tekenen: ze kunnen wijzen op opgevulde paalkuilen, afvalkuilen, allerhande greppels, waterputten, grafkuilen, enz.
Bij het schaven worden de grondsporen in de zandige bodem zichtbaar. (Wijnegem : paalkuilen van middeleeuws gebouw) |
Paalkuilen? Inderdaad, de mens bouwde in het verre verleden in deze zandige streek nog niet in steen, maar in hout. Zijn woningen, stallen, schuren enz. bestonden uit een "geraamte" van houten palen die vast zaten in gegraven kuilen. De "muren" tussen de palen bestonden uit gevlochten takken bestreken met leem of met koeienmest. De archeoloog vindt natuurlijk niet meer die palen of dat vlechtwerk, maar wel de sporen van de kuilen, want die hebben een andere kleur dan de omringende vaste gele ondergrond, en ze bevatten al wel eens een scherf of een munt. Het optekenen van deze paalsporen levert soms de volledige plattegrond van een gebouw op.
, en de vorm en de diepte ervan op te tekenen, kunnen soms conclusies worden getrokken in verband met de structuur van het gebouw. De daken waren in stro, hoewel men in de Romeinse tijd dakpannen kende. Maar die gebruikte men voor van alles en nog wat. In deze zandige streek worden dus geen stenen muren opgegraven. Na onderzoek, dit wil zeggen, nadat alle sporen zijn "leeggehaald" en voor de wetenschap geregistreerd, worden de sleuven terug gedicht, zodat we het jaar daarop vlak ernaast verder kunnen. Zo wordt, jaar na jaar het beeld van een nederzetting meer en meer in kaart gebracht. Het onder de knie hebben van de schaaftechniek in de zandige bodem is dus een eerste vereiste, én...een hele kunst!
Tot voor kort mocht in België iedereen die het wou, opgravingen doen. Het volstond om van de eigenaar van de grond toelating te bekomen.
Sinds 1993 is de archeologie in Vlaanderen wettelijk geregeld. Wie een opgraving wil doen, moet een officiële vergunning aanvragen. Die bekomt men als men de nodige kwalificaties bezit. Met de eigenaar (en pachter) moet een contract worden opgemaakt, waarin o.a. bepaald wordt, wat er met de vondsten dient te gebeuren. Wettelijk blijven de vondsten integraal eigendom van de eigenaar van het terrein. In de praktijk bepaalt de overeenkomst meestal dat de archeologische voorwerpen ter studie aan de onderzoeker (=opgraver) worden afgestaan. Ze horen immers uiteindelijk thuis in een museum. En de onderzoeker legt zichzelf de verplichting op, de resultaten van zijn onderzoek op een wetenschappelijke manier te publiceren...
Dus, opgraven is heel wat meer dan...scherfjes verzamelen. De archeoloog is immers geen verzamelaar. Er met een metaaldetector op uit trekken, is helemaal uit den boze, aangezien met deze methode de archeologische context vernield wordt, tenzij het gebruik ervan kadert in een vergunningsgerechtigde opgraving. In dat geval wordt de metaaldetector volgens een welomschreven procédé in het archeologisch onderzoek geïntegreerd.
En met fossielen heeft archeologie helemaal niets te maken!